We stonden boven op blok 52. "Het licht op de fiets doet het ook weer niet", was zijn begroeting eerder geweest. Hij had me door de hekken geleid, die met dikke sloten dicht waren gemaakt. Zijn sleutelbossen waren imposant. "Zet de fiets ook maar achter het hek. Het wordt weer een onrustige avond bij Blijburg." Er stond weinig wind. Bovenin suisde het een beetje. Maar dat was meer het geheel van snelwegen, sporen, het IJmeer en een aanslaande koelkast. Ik richtte de lens recht naar beneden waar speelgoed-bulldozers stonden en neuriede het nummer "Walking on the Moon" van The Police. Dat kwam niet omdat de bulldozers zo klein leken, zelfs niet zozeer van het maanlandschap waarop we uitzicht hadden. Nee, ik had de avond tevoren een concert van The Police bezocht. |
"Bent u in popmuziek geinteresseerd?"vroeg ik. Het antwoord wist ik eigenlijk al. "Nou. Ik zat op de Middelbare Landbouwschool toen op de radio in de kantine bekend werd gemaakt dat Elvis dood was. Ik wist niet eens wie het was." "Dus u was ongeveer de enige in de westerse wereld die niet wist wie Elvis was?" "Mijn broer zat naast me. Die wist het ook niet." Het was allemaal met de toonloosheid uitgesproken, die ik ondertussen zo goed kende. De toonloosheid van de vroege nachten op hoge gebouwen, uitkijkend over Haveneiland. Hij was de man met de sleutels, die me toegang verschafte tot bizarre werelden. "Mijn ouders hadden vroeger geen radio. We hadden alleen een piekup, daar draaiden we eigenlijk alleen maar blaasmuziek op." Ondertussen had ik het redelijk koud gekregen. "Kunnen we nog even ergens naar binnen? Ik ben benieuwd hoe het er daar uitziet." De deuren aan de galerij waren allemaal open. We stapten het eerste appartement binnen. Midden in de woonkamer lag een badkuip op de kop. "Hier moet ik even wat doen", zei ik gehaast en begon snel het statief op te stellen. Alsof het bad een wegschietende vos in het Diemerpark was. |
"Doet u maar rustig aan. Ik heb alle tijd." Tot de volgende ochtend half zeven, wist ik ondertussen. Toen ik de sluiter van de camera opende waren we stil, alsof we achter de camera's op een filmset stonden. Pas nu was ik rustig in staat om met de camera mee te kijken. De benedenstad strekte zich onder ons uit. Tussen de bouwlampen zag ik verlichte keukens, televisietoestellen, voortkruipende auto's, een meeuw die er traag overheen streek. Een lamp in een kamer ging uit. Hij haalde adem en zei: "Tja, zo hoog, dat zijn de enige plekken waar je hier nog een beetje privacy hebt." De sluiter sloot weer met een klik in de holle, betonnen kamer. Als je zo hoog zit dan denk je dat je er buiten staat. Of letterlijk erbóven. Maar straks staat hier ook een televisietoestel, gaat het licht om zes uur aan en staat er een blauw gloeiende laptop op tafel. Hoe hoog het ook is; eens wordt het hier verzwolgen door gewoonheid, en wordt het alles opgeslokt door de zee van lichtjes, ontstoken door mensen die allemaal blij zijn of zorgen hebben, die zich moeten scheren terwijl de telefoon gaat en gedachteloos staren naar de draaikolk als ze de stop uit het bad getrokken hebben. |